Vrouw bij een deelfiets in de openbare ruimte.

De deelfiets voorbij de stadsgrens

De deelfiets kennen we vooral uit de stad. Maar op verschillende plekken ontstaat inmiddels een volgende stap: regionale deelfietssystemen die verder kijken dan één gemeentegrens.

Dat klinkt eenvoudig. Meer fietsen, groter gebied. Maar in de praktijk vraagt het om veel meer: samenwerking tussen gemeenten, provincie en aanbieder, duidelijke afspraken over beschikbaarheid en prijs, afstemming over handhaving en genoeg ruimte om bij te sturen.

In deze aflevering van de N!D-podcast praten we daarover met Wouter Slob, beleidsadviseur Knooppunten en Deelmobiliteit bij Provincie Utrecht, en Sofie Staelraeve, Public Affairs Lead Benelux bij Lime. Zij vertellen hoe in de regio Utrecht wordt gewerkt aan een regionaal deelfietssysteem en wat daarvan te leren is voor andere regio’s.

Waarom een regionale deelfiets?

De aanleiding is herkenbaar. Er komen meer woningen, meer inwoners en meer reisbewegingen. Tegelijkertijd staat de ruimte onder druk. Dat vraagt om andere manieren van reizen.

Provincie Utrecht kijkt daarom breder dan het traditionele openbaar vervoer. De regionale deelfiets is onderdeel van publieke mobiliteit: niet als vervanging van bus, tram of trein, maar als aanvulling op het netwerk.

Wouter vat die manier van kijken helder samen:

“We proberen minder van halte naar halte te denken, maar meer: waar komt de reiziger vandaan en waar moet hij naartoe?”

Daar zit precies de waarde van de regionale deelfiets. Veel reizen beginnen of eindigen niet bij een station of halte. Er is vaak nog een stuk ervoor of erna. Juist daar kan de deelfiets helpen.

Van losse gemeente naar regionaal systeem

Voor kleinere gemeenten is het vaak lastig om zelfstandig een deelfietssysteem op te zetten. Het vraagt organisatie, geld en voldoende gebruik. Voor aanbieders is één kleinere gemeente vaak ook minder aantrekkelijk, omdat de operatie relatief duur is voor een kleine doelgroep.

Daarom is schaal belangrijk. In Utrecht werken provincie, gemeenten en aanbieder samen in één regionaal systeem. Zo ontstaat meer samenhang voor de reiziger en meer duidelijkheid voor de partijen die het systeem organiseren.

Er is gekozen voor een concessie. Dat zorgt voor eenduidig aanbod: dezelfde fietsen in de stad en in de omliggende gemeenten. Voor de overheid ontstaat daarmee ook meer ruimte om afspraken te maken over kwaliteit, beschikbaarheid, locaties en tarieven.

Eerste ervaringen uit Utrecht

De eerste resultaten laten zien dat het systeem meteen wordt gebruikt. In de aflevering noemt Sofie Staelraeve dat er op dat moment 2.314 elektrische fietsen in de regio beschikbaar waren. Begin april waren er volgens Lime 48.000 unieke gebruikers en meer dan 250.000 ritten gemaakt.

Ook valt op dat de ritten in Utrecht al langer zijn dan in stedelijke deelfietssystemen waar Lime actief is. Dat past bij het doel van het regionale systeem: niet alleen korte stadsritten, maar ook langere ritten tussen stad, omliggende gemeenten, OV-locaties en werklocaties.

De fietsen zijn beschikbaar op meer dan 2.000 locaties. Daarbij wordt gewerkt met digitale hubs: zones waar gebruikers fietsen kunnen vinden en terugzetten. In de praktijk werkt dat het best als die digitale plekken ook herkenbaar zijn op straat, bijvoorbeeld met een fietsrek, bord of fysieke parkeerplek.

Bijsturen hoort erbij

Een regionaal systeem staat niet in één keer goed. Waar moeten fietsen precies staan? Welke locaties werken wel of niet? Waar ontstaat drukte? Waar is extra aanbod nodig?

In Utrecht wordt daar tijdens de concessie op bijgestuurd. Dat geldt voor locaties, beschikbaarheid, herverdeling en afspraken met gemeenten. Juist die ruimte om te blijven aanpassen is belangrijk.

Sofie benoemt in de aflevering dat deelmobiliteit goed werkt als het zichtbaar is, maar ook als het systeem kan meegroeien. Dat vraagt om monitoring, overleg en snelle bijsturing bij bijvoorbeeld evenementen, werkzaamheden of veranderend gebruik.

Samenwerking over gemeentegrenzen heen

Een regionale deelfiets houdt zich niet aan gemeentegrenzen. De organisatie ervan kan dat dus ook niet helemaal doen.

Dat wordt heel concreet bij handhaving. Elke gemeente heeft daarin een eigen bevoegdheid. Maar als regels en werkwijzen per gemeente sterk verschillen, wordt een regionaal systeem ingewikkeld voor de aanbieder en onduidelijker voor de gebruiker.

Sofie zegt daarover:

“Elke gemeente heeft de eigen bevoegdheid over handhaving. En als je aanhoudt dat elke gemeente een ander beleid voert binnen een regionaal schema, dan zal het niet werken.”

De oplossing is niet dat lokale bevoegdheden verdwijnen. Wel dat gemeenten onderling afstemmen en werken vanuit een gezamenlijke basis. In Utrecht is die samenwerking georganiseerd met één duidelijk aanspreekpunt richting Lime, terwijl de deelnemende gemeenten betrokken blijven in de afstemming.

Standaardiseren zonder alles gelijk te maken

Als meer regio’s aan de slag gaan met regionale deelfietssystemen, wordt kennisdeling belangrijk. In de aflevering vertelt Wouter dat andere regio’s al kijken naar de aanpak in Utrecht: hoe is de aanbesteding ingericht, hoe is de samenwerking met gemeenten georganiseerd en wat kunnen anderen daarvan leren?

Standaardisering kan daarbij helpen. Denk aan modelbepalingen, aanbestedingsdocumenten, data, betalen, monitoring en evaluatie. Voor regio’s wordt het makkelijker om te starten. Voor aanbieders wordt het werkbaarder om in meerdere regio’s actief te zijn.

Tegelijkertijd waarschuwt Wouter ervoor om de Utrechtse aanpak niet zomaar overal te kopiëren. Een regionaal deelfietssysteem in een stedelijke regio ziet er anders uit dan in een landelijk gebied. De opgave is dus: standaardiseren waar dat helpt, en ruimte houden voor regionale keuzes.

Alleen fietsen neerzetten is niet genoeg

De regionale deelfiets gaat niet alleen over voertuigen, concessies en hubs. Het gaat ook over gedrag.

In gemeenten waar deelfietsen nieuw zijn, moeten mensen wennen aan het systeem. Ze moeten weten waar de fiets staat, hoe het werkt en wanneer het voor hun reis handig is. Alleen aanbod plaatsen is daarvoor niet genoeg.

Wouter zegt het in de aflevering heel direct:

“Alleen maar fietsen neerzetten op straat is niet genoeg. Mensen gaan het niet vanzelf gebruiken.”

Daarmee ligt er ook een communicatieopgave. De regionale deelfiets moet niet alleen beschikbaar zijn, maar ook herkenbaar, begrijpelijk en bruikbaar worden voor de reiziger.

Naar een landelijk netwerk van regionale systemen

De aflevering laat zien dat de regionale deelfiets een volgende stap is in deelmobiliteit. Niet als los aanbod per gemeente, maar als onderdeel van publieke mobiliteit, regionale bereikbaarheid en samenwerking tussen overheden en aanbieders.

De komende jaren ligt de opgave in verder leren en opschalen. Regio’s kunnen gebruikmaken van ervaringen die nu worden opgedaan. Aanbieders hebben baat bij eenduidigheid. En reizigers hebben vooral behoefte aan een systeem dat zichtbaar, beschikbaar en makkelijk te gebruiken is.

De deelfiets voorbij de stadsgrens vraagt dus om meer dan extra fietsen. Het vraagt om samenwerking, duidelijke afspraken en de bereidheid om het systeem in de praktijk te blijven verbeteren.

Luister de volledige aflevering

Luister de aflevering via je favoriete podcastapp of hieronder.

Verwante Artikelen

Bewonersinitiatieven autodelen: van keukentafelplan naar draaiend systeem

In een nieuwe aflevering van de podcast Natuurlijk!Deelmobiliteit zoomen we in op bewonersinitiatieven voor autodelen. Hoe begin je met een paar buren, hoe regel je verzekering, laadpalen en afspraken, en wat betekent dat voor de straat, de kosten en de rol van de gemeente? Te gast zijn Rick van der Velde, mede-oprichter en voorzitter van bewonersinitiatief Iris Electric in Eindhoven, en Annaricht Hannema, betrokken bij de werkgroep Bewonersinitiatieven binnen Natuurlijk!Deelmobiliteit.

Reacties

Ga naar de inhoud